Een seriemoordenaar verpakt lijkdelen in vuilniszakken die rechtstreeks naar hem verwijzen, en laat ze achter op plekken met symbolische namen: het lijkt een filmscenario. Maar een nieuwe theorie suggereert dat de Slachter van Bergen daadwerkelijk een macaber spel speelde met de politie. Dertig jaar geleden vermoordde hij vijf vrouwen. Hij hakte ze in stukken, dumpte ze in de Belgische stad en werd nooit gepakt. Coldcase-onderzoekers sluiten nu een zesde slachtoffer niet uit, en misschien wel meer. ”Als dit klopt, dan heeft de politie minder dan een week na de eerste vondst oog in oog gestaan met de dader”, zegt Kurt Wertelaers van Bureau Van Meerbeeck.

Woensdag 19 februari 2003, Avesnes-sur-Helpe. Door de straten van het Noord-Franse stadje waait een stevige wind. Er wordt nachtvorst verwacht. Binnen is het warm en ruikt het naar frituurolie. Terwijl ze praat met haar ex-vriend laat Janine Sopka zich de frieten in het oude fastfoodzaakje bij het station goed smaken. Ze komt er vaak, de sfeer lijkt opperbest. Een avond als alle andere. De man biedt aan Janine met de auto naar huis te rijden, een paar kilometer verderop in het gehucht Saint Hilaire-sur-Helpe. Dan gaat het mis. In de wagen krijgen ze ruzie. De man houdt aan en Janine stapt uit. Het is 22 uur. De spaarzame huizen in de buurt hebben de rolluiken naar beneden. Alles voelt donker en verlaten. Niemand zal Janine levend terugzien.
Zes dagen later vinden arbeiders op de oever van de Samber bij Hachette, bijna twintig kilometer verderop, een paar vuilniszakken. Ze maken ze open en krijgen de schrik van hun leven. In de zakken zitten een arm zonder hand en een been zonder voet, allebei van de 59-jarige Janine Sopka. Een week later wordt haar romp gevonden in de Schelde, bij het stadje Vieux-Condé.
De hele streek is in shock. Niet alleen vanwege de moord. Ook de namen van de vindplaatsen doen de wenkbrauwen fronsen. Hachette betekent ’hakbijl’ en Vieux-Condé kan je als ’oude smeris’ vertalen. Toeval?
Lijkdelen in vuilniszakken
Janine Sopka kent bij leven veel tegenslag. Ze is weduwe, drinkt graag een glas, kampt met depressies, heeft weinig geld en veel minnaars. De politie verdenkt aanvankelijk de eigenaar van een lokale houtzagerij. Hij zou Sopka gekend hebben. Maar het bewijs stelt niets voor.
Al snel rijst de vraag: zou Sopka een nieuw slachtoffer kunnen zijn van de Slachter van Bergen? Die wordt verdacht van vijf moorden in 1996 en 1997, in Bergen (Mons in het Frans), een Belgische provinciestad op 50 kilometer van Avesnes-sur-Helpe. Deze seriemoordenaar versnijdt zijn slachtoffers met dezelfde precisie en methodiek als bij Sopka. Ook hij dumpt de lijkdelen in vuilniszakken, vaak langs of in water. En ook zijn slachtoffers zijn vrouwen die niet verwend zijn door het leven.
De gelijkenissen zijn opvallend. Toch lijkt de speurders één andere, misschien wel cruciale overeenkomst te ontgaan. Op wandelafstand van de frituur die Sopka voor haar dood bezoekt, bevindt zich in 2003 een outletwinkeltje. De manager van de winkel heet Guillaume. Zes jaar eerder runt hij een soortgelijke zaak in de stationsbuurt in Bergen. En hij is een van de weinige personen die in 1997 beschikt over plastic zakken van het bijzondere type waarin de slachter de lijkdelen verpakt.

Moordreeks in etappes
België is amper bekomen van de arrestatie van kindermoordenaar Marc Dutroux in augustus 1996 als de Slachter van Bergen het land opnieuw door elkaar schudt. De zaak begint met de vondst van acht zakken op 22 maart 1997, onderaan een talud langs de Rue Emile Vandervelde in Bergen. Olivier Motte zal het tafereel nooit vergeten. De toevallig passerende agent te paard ziet een kat spelen bij een kapotte vuilniszak waaruit een hand steekt. In totaal zitten er in de zakken 37 lichaamsdelen van verschillende vrouwen.
In de drie daaropvolgende weken worden op nog drie andere plaatsen in Bergen en het aangrenzende dorp Havré vuilniszakken met lichaamsdelen gevonden, waaronder ook een hoofd. Dan is het even rustig, tot in oktober 1997 en april 1998 weer elders in Bergen een schedel, wervels en tanden worden gevonden.
Vrouwen aan de zelfkant
De politie moet letterlijk lugubere puzzels leggen. Er blijkt een verband met twee eerdere vondsten, van een bekken in januari 1996 langs de Schelde bij het Franse dorpje Château-l’Abbaye, en van een romp in juli 1996 in de rivier La Haine achter het station van Bergen. Uiteindelijk kan het parket vijf slachtoffers identificeren: Carmelina Russo (46), Martine Bohn (43), Jacqueline Leclercq (33), Nathalie Godart (21) en Bégonia Valencia (38). Het lukt niet om de doodsoorzaak te achterhalen. Veel lichaamsdelen zijn in een vergevorderde staat van ontbinding. Van Russo, Bohn en Leclercq is het hoofd tot vandaag spoorloos.
De vrouwen verschillen zowel qua uiterlijk als leeftijd, maar zijn allemaal bekend in de cafés in de Bergense stationsbuurt. Hun biografieën laten zich lezen als aaneenschakelingen van stukgelopen relaties, gewelddadige ex-partners, financiële zorgen, psychische problemen en in sommige gevallen overmatig alcohol- en druggebruik. Vrouwen aan de zelfkant van de samenleving: het zijn makkelijke prooien voor een man met gladde praatjes en slechte bedoelingen.

Wat ze ook gemeen hebben: ze zijn ineens van de aardbodem verdwenen en de politie heeft niet of nauwelijks naar ze gezocht. De eerste die verdwijnt is Carmelina Russo op 4 januari 1996, van de hekkesluiter (Bégonia Valencia) is alleen bekend dat ze ergens in juli 1997 voor het laatst wordt opgemerkt. Niemand heeft ze met iemand zien vertrekken. Ze zijn gewoon weg. Totdat ze in stukken terugkeren, de meeste binnen een tijdspanne van maar enkele weken. Heeft de dader ze ergens bewaard, en moet hij opeens van ze af? Wordt zijn bergplaats ontruimd? Verborg hij de lijkdelen in een diepvriezer en is het apparaat kapot?
Dumpplaatsen met vreemde namen
Menigeen vraagt zich ook af of de dumpplaatsen zijn gekozen vanwege hun naam. We noteren: Avenue des Bassins (de Bekkenweg), de rivier La Haine (de Haat), de Chemin de l’Inquiétude (het Pad van de Onrust), de Rue du Dépôt (de Stortstraat), de rivier La Trouille (de Angst). En er zijn religieuze verwijzingen: Château-l’Abbaye (Kasteel-Abdij), Chemin de Bethléem (Betlehempad) en Rue de Saint-Symphorien, genoemd naar een christelijke martelaar die in de tweede eeuw werd onthoofd.
Speelt de slachter een morbide spelletje? Is hij geïnspireerd door de dan enorm populaire film Se7en, waarin een seriemoordenaar met een religieuze obsessie symbolische boodschappen rondstrooit? Maar hoe zit het dan met de Rue Emile Vandervelde? Die straatnaam lijkt lukraak gekozen. Of niet?
Veel verdachten, geen dader
De politie staat voor een raadsel, maar heeft bitter weinig aanwijzingen. Toch passeren heel wat verdachten de revue, gaande van de vriend van Nathalie Godart tot een Montenegrijnse moordenaar die enige tijd in België zou hebben gewoond. Er komt ook een man in beeld die de meeste slachtoffers kende, rond 1996 in een donkere periode zit en een tooghanger toevertrouwt ”bloed aan zijn handen” te hebben. Een zoon beschuldigt zijn vader die arts is, en een schrijver komt op de radar vanwege een aantal macabere dichtregels. Zelfs de eigenares van Hotel Métropole, waar alle vrouwen weleens een glas hebben gedronken, wordt verdacht.

Samen met de FBI wordt een daderprofiel opgesteld. Volgens dat profiel is de dader thuis in de stationsbuurt zonder zelf deel uit te maken van het typische nachtleven. Voor de buitenwereld leidt hij een alledaags bestaan. Hij werkt overdag en heeft ook relaties, maar die lopen vaak stuk, al is hij tegenover zijn partners wellicht nooit gewelddadig. Van binnen is de dader een seksueel roofdier. Hij is bekend met de slachtoffers en heeft weet van hun kwetsbare positie. Dat hij ze in stukken snijdt, is puur praktisch: zo kan hij zich van de lichamen ontdoen. Hij heeft toegang tot een huis of andere plek waar hij ongestoord zijn gang kan gaan. De namen van de vindplaatsen zouden echter toeval zijn, denken de speurders.
Ondanks jarenlang onderzoek is er nooit genoeg bewijs om iemand aan de moorden te koppelen. De politie beschikt over DNA dat vermoedelijk van de dader is, mogelijk van een spermaspoor of haartje. Maar dat levert geen match op met een verdachte. Ook deze vraag blijft onbeantwoord: waarom is de moordreeks zo abrupt geëindigd? Seriemoordenaars stoppen niet zomaar. Is hij dood? Zit hij vast voor iets anders? Is hij verhuisd? Of is hij een soft killer, zoals de FBI dit noemt: een seriemoordenaar die zijn impulsen onder controle kan houden als zijn leven positief verandert?
Wie bezat de vuilniszakken?
Drie van de vijf slachtoffers hebben kinderen. Advocaat Philippe Horemans vertegenwoordigt de zoon van Carmelina Russo. Hij klampt zich vast aan het enige niet-biologische spoor dat de dader achterlaat: de vuilniszakken.
Sommige van die zakken zijn bijzonder. Ze zijn gefabriceerd in opdracht van Knokke-Heist, maar de Belgische kustgemeente wil ze niet vanwege een productiefout. De afgekeurde partij, naar verluidt 200 rollen, belandt in een outletwinkel in de Bergense stationsbuurt. Die is eigendom van de Fransman Daniel en wordt gerund door zijn zoon Guillaume. De politie gaat er jarenlang van uit dat de moordenaar de zakken in deze winkel heeft gekocht.
Zou het echter kunnen zijn dat niet een klant maar de verkoper van de zakken, of een personeelslid van het bedrijf, de dader is? Dat denkspoor lijkt tot nu niemand te hebben gevolgd.

De advocaat vindt dat de verklaringen over de vuilniszakken rammelen. Het is onduidelijk hoeveel er zijn verkocht en wanneer precies. Als de politie Guillaume en een voormalige werkneemster verhoort, amper een week na de eerste vondst in maart 1997, doen ze daarover tegenstrijdige uitspraken. Volgens de werkneemster waren ze snel gestopt met de verkoop van de zakken, omdat die zo slecht van kwaliteit waren. Maar Guillaume beweert dat de rollen allemaal zijn verkocht.
Een outletwinkel gaat failliet
Horemans schakelt Bureau Van Meerbeeck in. Dit Aarschotse onderzoekscollectief, opgericht door journalist Kurt Wertelaers, werkt op vraag van slachtoffers en heeft al meerdere vastgelopen dossiers opnieuw in beweging gebracht. Wertelaers en onderzoekster Amber Smet bijten zich vast in de zaak. ”Guillaume zei dat hij die zakken verkocht had, maar wist niet meer aan wie”, vertelt Wertelaers. ”Hij kwam op de speurders geloofwaardig over en heeft zich in hun ogen geen enkel moment verdacht gemaakt. Ze hebben hem na die eerste keer niet meer verhoord.”
De coldcase-onderzoekers valt iets op. ”De winkel draaide slecht en vroeg eind 1996 faillissement aan. Dat is uitgevoerd kort na de feiten van de Slachter van Bergen. Precies in de periode dat de meeste zakken met lichaamsdelen werden gevonden, moest het pand leeg en zou de curator komen om alles te bekijken. Vanuit de advocaat kwam toen de bedenking: is dat de reden waarom de diepvriezer leeg moest?”

Bureau Van Meerbeeck gaat kijken in het vroegere winkelpand, maar krijgt niet bevestigd of er een diepvriezer was. Wertelaers: “Mogelijk was er plaats voor in de kelder, zoals alle huizen in deze buurt er een hebben. Veel van die kelders zijn nu echter dichtgemetseld en ook hier vinden we er momenteel geen. Maar we weten niet hoe de situatie in 1997 was.”
Een groot pand waarin je alles kocht
De stationsbuurt in Bergen is veranderd. Niet alleen is er een fonkelnieuw, futuristisch ogend station, ook de straten ogen verzorgder dan vroeger. Vandaag zit er een andere winkel in het pand waar Guillaume vroeger huishoudelijke spullen aan dumpprijzen verkocht. Maar iedereen kan zien dat er veel ruimte in het gebouw is. Ook handig: via een poort kom je met de auto probleemloos aan de achterkant. Als je iets in de wagen legt, hoeft niemand dat op te merken, ondanks dat de zaak middenin de drukke stationsbuurt ligt.
Wertelaers is ervan overtuigd dat de slachtoffers de outletwinkel kenden. ”Ze kwamen daar allemaal in de buurt. Dat waren vrouwen die het niet breed hadden. Je kon in die winkel alles kopen wat je nodig had, en het stond er afgeprijsd.”
Vindplaatsen op een kaart van Bergen
Hij omschrijft de eigenaar en zijn zoon als handelaren die om het even wat verkochten. ”Vader Daniel kwam uit Maubeuge in Frankrijk. Hij was 52 toen de slachter begon. Hij had in een ver verleden eens een veroordeling opgelopen voor mishandeling. Maar hij was, voor zover we weten, niet gewelddadig tegenover zijn zoon of vrouw. Van Guillaume, die 26 was in 1996, weten we dat hij hobbyfotograaf was. Hij heeft meerdere relaties gehad met vrouwen die we ook ontmoet hebben. Die konden geen slecht woord over hem vertellen. Behalve dan dat hij vrouwen iets té graag zag. Daardoor liepen relaties ook stuk. Het was een jonge, mooie gast. Hij liet zich graag omringen door vrouwen.”

Als de slachter actief is, woont Guillaume in een appartement boven de winkel. ”De vrouw met wie hij daar samenwoonde, vertelde dat hij in de woonkamer een kaart van Bergen had hangen waarop hij de vindplaatsen van de zakken met punaises had aangeduid. Hij zou die plaatsen ook hebben bezocht. En ook al woonde hij samen, we weten dat hij vaak langere tijd alleen in het appartement was.”
Guillaume past volgens Wertelaers perfect in het daderprofiel. De tijdlijn vertoont nog een opvallende overeenkomst. Het faillissement van de winkel wordt uitgesproken in juli 1997, de maand waarin het laatste slachtoffer verdwijnt. In die periode moet Guillaume zijn appartement hebben verlaten. Zijn vader opent enkele gelijkaardige winkels in Noord-Frankrijk. “Guillaume runde vanaf dan de zaak in Avesnes-sur-Helpe”, zegt Wertelaers. En het is daar dat in 2003 Janine Sopka verdwijnt. De winkel lag op wandelafstand van de frituur die ze op die koude winteravond bezocht.
De slager van Bergen
Niemand die iets slechts over hem vertelt, politie die hem niet verdenkt: mocht Guillaume de dader zijn, dan houdt hij zijn dubbelleven goed verborgen. Of toch niet? Er is de kaart van Bergen in de woonkamer. En we herinneren ons de wel erg toepasselijke namen van de plaatsen waarop de slachter de lijkdelen dumpt. De enige naam die ”normaal” lijkt is de Rue Emile Vandervelde, de straat waarlangs de meeste zakken liggen. ”Die is genoemd naar een minister van justitie van lang geleden”, zegt Kurt Wertelaers. ”Op zich niet zo bijzonder, denk je dan. Totdat we ontdekten dat Emile Vandervelde een tweede voornaam had: Guillaume.”
Hij denkt dat de Slachter van Bergen zijn werkterrein na 1997 heeft verlegd. Niet alleen de moord op Sopka past in het rijtje. De coldcase-onderzoekers sluiten ook een verband met een andere vondst niet uit. In het Noord-Franse Buvignies, op een plek die La Chapelle heet, ontdekt een archeoloog in maart 2003 bij het omspitten van zijn tuin een menselijke schedel. De archeoloog schat dat de schedel er drie of vier jaar heeft gelegen. De herkomst is tot vandaag een mysterie.

”De schedel zat in een zak van Renmans. Dat is een slagerijketen, gelieerd aan de Aldi, die toen alleen in België actief was”, zegt Wertelaers. Je kan Renmans ook de slager van Bergen noemen: het Waalse hoofdkantoor van Renmans ligt in Bergen. Aan de Place de Saint Symphorien: een straatnaam die bijna identiek is aan de nabijgelegen Rue de Saint Symphorien waar de slachter ook enkele zakken dumpt.
En nog een familienaam duikt op
En er is nog een merkwaardige zaak. Eind juli 2002 vinden arbeiders op een open plek in een bos bij Trélon, niet ver van Avesnes-sur-Helpe, lijkdelen van een onbekend persoon. Ze liggen verspreid over een rechthoek van tien bij drie meter. Alleen een hoofd ontbreekt. De ontbinding is al zo zeer gevorderd dat de politie het geslacht van de dode niet kan vaststellen. Wel is duidelijk dat het lichaam in stukken is gesneden.
Ook in 2002 wordt in een tuin, opnieuw in de streek van Avesnes-sur-Helpe, een dijbeen gevonden. Weer is er iets vreemds met de locaties. In beide gevallen liggen de lijkdelen telkens vlakbij een plek waarvan de naam overeenkomt met de achternaam van Guillaumes moeder, weet Kurt Wertelaers.
Het kan toeval zijn en een link met Bergen staat niet vast, maar het onderzoeksbureau vindt het alleszins opmerkelijk. En daar blijft het niet bij: wie op de kaart de locaties zoekt waar lichaamsdelen van Sopka lagen, komt in de directe omgeving van een van die plekken opnieuw een geografische aanduiding tegen met dezelfde familienaam.

De laatste rit
Hoewel zijn exen aan de onderzoekers van Bureau Van Meerbeeck vertellen dat Guillaume niets had met woordspelletjes, film of religie, lijkt er aan symboliek in deze geschiedenis geen einde te komen. Zoals op 14 juli 2003. Het is de Nationale Feestdag voor de Fransen, maar we zijn in België. Guillaume is dan 33 en verblijft bij zijn nieuwe vriendin in Lot, onder de rook van Brussel. De coldcase-onderzoekers horen van haar dat hij zijn motor heeft verkocht. Maar die is nog niet opgehaald door de koper. En dan zet Guillaume opeens zijn helm op. ”Ik ga een laatste rit maken”, zou hij tegen zijn vriendin hebben gezegd.
In Sint-Pieters-Leeuw rijdt Guillaume met hoge snelheid op een auto die juist een draai maakt. Hij wordt van de motor geslingerd en is op slag dood. Het ongeluk, als het dat is, gebeurt op de, welja, Bergensesteenweg.
Onderzoekers hopen op DNA-vergelijk
Bureau Van Meerbeeck heeft een podcast gemaakt over de honderden uren die het intussen in het onderzoek stak. ”Het dossier telt 33.000 pagina’s. De politie heeft zeker niet stilgezeten en naar veel personen gekeken. Maar het is niet opgelost. Ik denk dat we nu een aantal scenario’s aandragen die minstens de moeite waard zijn om te bekijken”, zegt Kurt Wertelaers.
De Slachter van Bergen was actief in 1996 en 1997. Hoewel moorden in België normaal verjaren na dertig jaar, kan de termijn wegvallen in zaken die de samenleving ernstig hebben ontwricht. De rechter moet beoordelen of een dossier aan dit criterium voldoet. Maar een dode veroordelen kan niet. Ook Guillaumes vader Daniel leeft niet meer: hij overlijdt in 2012. Het belangrijkste is echter dat de waarheid boven tafel komt, meent Wertelaers.
“Genealoog Benoît Vermeerbergen De Coninck heeft een aantal nog levende familieleden van Daniel en Guillaume teruggevonden. Via verwantschapsonderzoek kan een DNA-staal van familie aantonen of er een match is met het DNA dat het parket van de slachter heeft. De vraag is nu of het parket interesse heeft in wat wij hebben gevonden.”
Je las dit artikel gratis. Maar schrijven en research kosten tijd en geld. Als je mijn werk waardeert, kan je me eenvoudig steunen. Doneer via de Buy Me A Coffee-knop. Elke bijdrage helpt. Zo kan ik blijven schrijven en houd jij onafhankelijke journalistiek in stand. Dank je!